Het was uitgerekend de historicus Maarten van Rossum die op een gerenommeerd wereldcongres over immigratievraagstukken en inburgering te Rotterdam opmerkte dat in Nederland zelfs de Brabanders nooit echte Nederlanders zijn geweest maar met hun gedraging eerder zouden kunnen worden gerekend tot het tribale segment van de Nederlandse demografische samenstelling. Volgens Van Rossum zouden na decennialange evoluties de Brabanders er toch niet in geslaagd zijn echte Nederlanders te worden. Hierdoor zouden zij onder de categorie beroeps autochtonen vallen. Een exemplaar uit deze collectie heet Michiel van Kempen dat zich ooit ontworstelde uit de straffe houdgreep van een familie varkensbedrijf en ergens in de jaren tachtig naar Suriname vluchtte om er de leraar Nederlands uit te hangen. Ondanks zijn beroerde Rochelende G ontpopte deze man zich er als de grondlegger van de zwevende Surinaamse letteren. In een later stadium zal zelfs blijken dat Surinamers die ondanks het feit dat zij zich krachtdadig verzetten tegen de Nederlandse hegemonie, het achteraf toch een goede zaak vonden dat zij een goedgelukte Hollander bij de arm konden nemen om landgenoten tegenover wie zij zich bij tijd en wijle gekweld benevens ten achtergesteld voelden, door hem geestelijk te laten folteren en elimineren.
Van Kempen die gelijk een haai die na het ruiken van bloed desastreus op zwemmers afstevende , verzwolg in Suriname in de draaikolk van populariteit die hij kreeg toebedeeld door de eigen-volk-minachtende Surinamers en werd daarbij ook terecht overmand door het idee dat hij,zoals Columbus Amerika ontdekte, op zijn beurt Suriname had herontdekt. Toen hij bij zijn inventarisatie van Surinaamse schrijvers een enkeling tegenkwam die met diens kwaliteiten boven zijn groeihormoonpostuur torende , nam hij zich voor deze in naam van protesterende en diep gekwetste Surinaamse schrijvers en dichters zodanig te compromitteren waardoor het erop zou gaan lijken dat alles wat deze persoon geschreven had, niets anders zou voorstellen dan een ordinaire diefstal van andermans werk . Hoewel Van Kempen er zelf in slaagde een proefschrift over de geschiedenis van de Surinaamse literatuur op zijn geweten te dragen waarvan inhoudelijk bezien bijna alles gestolen en geroofd blijkt te zijn uit het slecht beheerde en bewaakte archiefbureau van Suriname ( zie artikel James Lallmohammed in Dagblad Suriname, oktober 2003) kladt deze man alle Nederlandse digitale periodieken waarin hij zich gelijk een Sika ( = Truttige Surinaamse zandvlo ) genesteld heeft, vol met perfide verdachtmakingen en beschuldigingen aan het adres van degenen tegenover wie hij zich ten achtergesteld voelt.
Hoewel Van Kempen Nederlands studeerde ( maar geredeneerd vanuit zijn proletarische taalgebruik kennelijk niet afgestudeerd in de vakgroep Nederlandse taalbeheersing ) lijkt zijn honger naar meer macht en roem ( = geldingsdrang zoals Freud benoemde) niet gestild te zijn ondanks het feit dat hij een leerstoel in de Caribische letteren onder zijn vorstelijke vermolmde kont kreeg toegeschoven. Van Kempens ‘ proefschrift is niet alleen een bolwerk van ordinaire letterdieverij, het is eveneens gespeend van wetenschappelijkheid. Het ontbreekt er in aan een theoretische beschouwing terwijl de toegepaste onderzoeksmethode zich ver laat zoeken. Van Kempen is duidelijk besmet geraakt door het gezonde Surinaamse drang tot zelfontplooiing, tot het neurotische verworden tot een goewweldige man. Met dit proefschrift dat overal iets van weg heeft behalve van een wetenschappelijke-, op de linguistiek gegrondveste studie, prononceert Van Kempen de totale breuk tussen zijn eigen intellectuele ontwikkeling en de fundamentele driften van de steeds naar geldingsdrang snakkende Surinaamse
schrijvers, die een niet aflatende dwang hebben voor het voetlicht te willen staan, ook al hebben ze niets voor te dragen.
Van Kempen had al gepland dat hij van het tot nog toe braakliggend literaire moeras van Suriname zijn levenswerk zou maken en overnachtte zelfs in het Surinaamse archief bureau. De engste kakkerlakken werden er zijn trouwste huis- en bondgenoten. Na voltooiing van het ene werk volgde de andere. Hij besprak alles en een ieder, zelfs de kruidenier die zijn koopwaar in de ogen van Van Kempen in een vrij literaire/poetische stijl had aangeprezen. Zijn populariteit deed op een gegeven moment zelfs de triomfantelijke blik in de ogen van het standbeeld van Kwakoe, waarin de Surinaamse geschiedenis zich een vrijheidsstrijder heeft vergist, verdoezelen. Deze actie resulteerde in een essay over Surinaamse scribenten en schreeuwlelijke dichters waarin de curricula vitae veel omvangrijker bleken te zijn dan de gekleurde en tendentieuze analyses van de werken van de auteurs; verder in literaire tijdschriften als De Gids, de Tweede Ronde, Streven, Deus Ex Machine, etc. die bol stonden van alles wat gefrankeerd was ingezonden of tijdens een literaire avond samen met een zakje Telo in de jaszak van Van Kempen was gedouwd. Tot slot in diverse gefiltreerde en van weinig inspiratie getuigende bloemlezingen van werken van auteurs, die Van Kempen een warm hart toedragen, nooit iets lelijks over hem schrijven etc.
Van Kempen grootheidswaan werd vanuit Suriname steeds gevoed door het feit dat men hem steeds lauwerde met prestigieuze literaire prijzen, waaronder de Rahman-Khanprijs, een evenknie van de Nederlandse PC-Hoofdprijs.Ten aan zien van zijn eerdere publicatie `De Surinaamse literatuur (1970 - 1985)', was een ieder het er onverdeeld over eens dat tegenover Van Kempens essay dat qua grafische vormgeving in bijna hetzelfde jasje gestoken leek te zijn als dat waarin de Surinaamse president Venetiaan zich vertoonde, alle andere soortgelijke publicaties qua diepgang, analyse en afwerking kwamen te verbleken. Hij heeft in dit werk opeengehoopt wat er zelfs aan vingeroefeningen binnen de Surinaamse literatuur bedacht en uitgeprobeerd is. Verder nam hij al degenen, zoals ondergetekende, die zich niet het allerbeste lieten ontvallen over de door hem herontdekte Surinaamse literatuur,genadeloos onder vuur. Men zou bijna kunnen denken dat Van Kempen dit alles gedaan heeft om middels bestrijding van alle pestilente ideeën en initiatieven, die hij persoonlijk als schadelijk interpreteert voor een volwaardige ontwikkeling van de Surinaamse literatuur, mensen die als 'verraders' z'n gezichtsveld binnenhuppelen,eruit te knuppelen (lees van hem: 'Een knuppel in het doksenhok').
Desondanks is deze vlijtige Brabander ook niet wars van kleffe afgunst. Doordat Surinamers hem het idee gaven dat hij de enige is die in staat is gebleken iets over de Surinaamse literatuur te schrijven moest het in 1986 verschenen essay, getiteld De Surinaamse Literatuur van Rabin Gangadin het voor ontgelden. Van Kempen reduceerde het essay van Rabin Gangadin tot een schotschrift zodat alleen zijn publicatie voor volwaardig en wetenschappelijk kon doorgaan. Het tegenstrijdige is dat Van Kempen zich ten tijde van diens verblijf in Suriname een haast patriottisch gezindte fanatiekeling betoonde, terwijl hij na aankomst in Nederland de Surinaamse instellingen alwaar hij de 'goewweldige man' mocht uithangen, in de Nederlandse periodiek BOEKBLAD ( 1984) afkraakte en door het slijk haalde. Zijn motto was: 'De mensen zouden er dom, onderontwikkeld zijn en gewoon niets begrijpen en snappen. Ze zouden overal op achter lopen !!'.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten